Pinus sylvestris

Pinus sylvestris – de Schotse of grove den

De grove of Schotse den (Pinus sylvestris) is een naaldboom of conifeer uit de familie Pinaceae. De naam pijnboom is eigenlijk toepasselijker dan grove den. Het is afgeleid van het Latijnse woord Pinus wat vlot betekent, maar misschien ook van Pinus, het vriendinnetje van de Griekse god Pan. Hij werd ook wel mastboom genoemd want men gebruikte het hout vroeger voor boten en vlotten. Een ander oud woord voor den is kin of kien. Plaatsnamen als Kinschot en Kinrooi in Vlaanderen duiden op de aanwezigheid van grove dennen in het verleden.

De grove den komt tegenwoordig bijna overal in Europa, Klein-Azië, aan de Atlantische en de Stille Oceaan voor. Hij groeit in het Europese laagland en gebergte tot een hoogte van 2100 m. De soort is winterhard en groeit soms op extreme plaatsen (bijv. stuifzanden). Onder invloed van de wind vormt hij vaak grillige vormen. In bossen vormt hij op oudere leeftijd rechte stammen. De grove den is een naaldboom die in de natuur ongeveer 40 m hoog en nabij de 600 jaar oud kan worden. Hij werd reeds in de oude mythologieën beschreven. Als vruchtbaarheidssymbolen waren dennenkegels heilige voorwerpen. De soort wordt gekenmerkt door het hebben van een grove papierachtige schors met een bruinoranje kleur, zijn kleinere naalden en de kleine dennenkegels. Op grotere hoogte is de soort tevreden met de lage temperaturen die het gebrek aan vochtigheid vermindert. Maar aan de andere kant, voor een groot deel van zijn Europees verspreidingsgebied is het een boom die in de vlakte groeit, en die als een bestand beschouwd wordt in wat we in deze lengtegraad droog klimaat noemen.

De Schotse den als bonsai

De Schotse den is door zijn kenmerken een ideale plant om als bonsai te cultiveren en te vormen. Door zijn kleine naalden en ook kleine dennenappels, zijn relatief gemakkelijke cultuur, zijn kracht om te herstellen van uitgraven of een verpotting, zijn verdraagzaamheid tegen bedraden en snoeien, de selectie van naalden en knoppen en zijn bekende flexibiliteit van de takken, is het een zeer geliefde soort bij de bonsailiefhebbers. Het is een soort die goed reageert op correcte technieken en het werk aan dood hout goed verdraagt (dit alles uiteraard op voorwaarde dat de boom krachtig genoeg en goed geworteld is).

Het werken met Schotse dennen is op zich zeer aangenaam. De resultaten die met deze soort kunnen worden verkregen zijn soms verbluffend. Het werkelijk flexibele karakter en zijn goede hanteerbaarheid (handelbaarheid) met bedrading en plaatsing van de takken in de gewenste positie zijn zeer zeker pluspunten. De meer dikkere en oudere takken zijn vaak het moeilijkst, maar met raffia en stevig (koperdraad)kan men soms onmogelijke takken toch in de gewenste positie plaatsen. Er zijn natuurlijk altijd takken die wat minder buigbaar zijn. En soms is het ook beter om in het ontwerp sommige natuurlijke takken te behouden, of men kan ze eventueel ook omvormen tot een geslaagde jin.

Het nijpen van de kaarsen moet ergens in de lente worden uitgevoerd, wanneer de nieuwe kaarsen de juiste maximumontwikkeling vóór het vormen van de naalden bereikt heeft (net voor de naaldenbundels zich volledig openen). Ze kunnen dan elke dag in de lente, tot de helft of twee derde terug gesnoeid worden. We nijpen dan enkel de sterke kaarsen, en laten de zwakkere kaarsen met rust. Op deze manier brengen we de groeizones van takken en boom in evenwicht. Wij elimineren slechts een kaars volledig, wanneer er in een cluster minstens drie kaarsen aanwezig zijn. En de geëlimineerde kaars zal dan de sterkste zijn, zodat er twee overblijven. Zo zal je op termijn een betere vertakking verkrijgen. Als je verder terug op de tak backbudding (ontwikkelen van nieuwe knoppen dichter bij de stam) wilt, is me-tsumi mogelijk. Hierbij worden de volledige kaarsen weg gesnoeid op het moment dat alle groei voltooid is. Doe je het te vroeg, zal dit leiden tot nieuwe knoppen vlakbij waar je gesnoeid hebt, en meestal clustervormig. Doe je het op het goede tijdstip zal dit leiden tot nieuwe knoppen, maar dan verder terug op de tak. Uiteraard is het dan ook belangrijk om een goede selectie te doen in de nieuw verkregen knoppen.

Naarmate dat het seizoen vordert moet men goed opletten dat de draad niet in de schors ingroeit. Het is vooral in de groeiperiode dat we hier zeer alert op moeten zijn, en in het geval dat de draad de schors ingroeit, is het ogenblik gekomen om de draad te verwijderen. Als de tak niet in positie blijft, zullen wij hem gewoon opnieuw moeten bedraden. Bij de Schotse den, aangezien hij normaal gezien slechts één keer per jaar nieuwe groei ontspruit, is het zeer gemakkelijk om deze nieuwe groei te verliezen, door ingegroeid draad of ingetapete takken. Daarom moet je zeer aandachtig zijn en alle bedrade takken vaak controleren, om die lelijke groeven in de schors te vermijden, die er bovendien ook niet echt natuurlijk uitzien. Lichte ingroei is geen ramp, op termijn groeit het er wel weer uit, maar voorkom zeker zware ingroeiwonden.

In september en oktober hebben we weer veel werk aan deze dennen. Het verwijderen van oude naalden en selectie van de knoppen. En tegelijkertijd kunnen we in de dichtbegroeide zones snoeien en zullen we trachten de vertakking te verbeteren door knoppen met drie uiteinden uit te dunnen, of slecht geplaatste knoppen te verwijderen, die bijvoorbeeld naar eenzelfde of andere ongewenste richting gaan. Door op termijn terug te snoeien naar de gewenste knoppen, zullen we verkrijgen wat we uiteindelijk willen, namelijk een fijne en ordelijke vertakking.

We spreken wel eens over yamadori dennen. Dit zijn dennen die uit de natuur, meestal in het gebergte, uitgegraven worden. Het is duidelijk dat yamadori dennen het meest gewaardeerd en het hoogst ingeschat worden op waarde. Maar ook is het een natuurlijke waarde die wordt geëerbiedigd en die de boom dan ook terugkrijgt, als je hem enkel dan uitgraaft met de zekerheid dat hij in leven zal blijven. Anders kan je de boom beter laten staan, en genieten van zijn natuurlijke schoonheid. Maar als je goed weet wat je doet, en je er zeker bent dat je de boom in leven kan houden, zal het een plezier zijn om er aan te werken. Andere mensen kunnen deze soort dan ook als bonsai bewonderen, want als er geen yamadori-bonsai waren, zouden sommige mensen misschien nooit van dit kleine stukje natuur kunnen meegenieten. Er zijn meerdere tijdstippen in het jaar wanneer je yamadori Schotse dennen kan uitgraven, maar het beste moment om uit te graven en een goed herstel te garanderen, ligt in april wanneer de knoppen actief beginnen te worden. Dit kan je zien doordat ze roodachtig van kleur worden en opzwellen. Je moet reeds vooraf weten of je de boom kan uitgraven met voldoende fijne wortels (zonder wortels te breken) met de waarborg dat de boom het zal overleven. Als dit niet zo is, kan je beter ophouden met uitgraven, of er gewoon niet aan beginnen! In het geval dat je onvoldoende wortels hebt, zou je het wortelsysteem, eventueel in meerdere keren, elk jaar kunnen marcotteren met de ringmethode om zo nieuwe wortels dichter bij de stam te verkrijgen. Wanneer je jezelf dan verzekerd hebt van de groei van deze nieuwe wortels, kunnen we deze boom dan toch uitgraven, met de garantie dat hij in leven blijft. Zo zijn we er dan toch zeker van dat we kunnen genieten van een toekomstige bonsai. Want als we de boom uitgraven met enkel wat oppervlakkige wortels die bovenaan groeien, zonder fijne beworteling, mag je er zeker van zijn dat de boom het niet snel zal overleven. Natuurlijk moeten we eens sommige grote wortels wegsnoeien of verwijderen, maar er is altijd een ietwat fijnere vertakking in het wortelsysteem nodig. Dit is essentieel om het herstel van de boom te garanderen. Gebroken wortels zullen het niet overleven, dus je dient zeer voorzichtig te werk te gaan bij het uitgraven. En draag daarom ook zorg voor de wortelvoet tijdens het transport.

Na het uitgraven begint al onmiddellijk een belangrijk deel van het toekomstige werk, namelijk het oppotten. Zorg dat je een voldoende grote pot hebt klaarstaan, waar de wortelvoet goed in past. Plaats de boom in een mengsel van zaai- en stekgrond en bims of enkel bims, en vergeet niet om de boom stevig te verankeren, zodat er geen nieuwe wortelgroei kan afbreken bij stevige wind of transport, wat funest kan zijn voor de boom. In dit grondmengsel is weinig watergift nodig. Alleen bij langdurige droge periodes kan je water geven, na het controleren van het grondmengsel.

Door de bomen aan de droge kant te houden, dwing je ze ook om nieuwe wortelgroei aan te maken voor hun zoektocht naar water en voeding. Het is aan te bevelen om tijdens de eerste maand na het uitgraven een halfschaduw-situatie te handhaven, om daarna de boom weer in volledige zon te gaan cultiveren. Te weinig zonlicht kan leiden tot taksterfte.

Zoals altijd is geduld een schone zaak bij bonsai. Begin daarom niet te snel te werken op een uitgegraven exemplaar. Verzeker je van nieuwe groei, alvorens op een exemplaar te werken, en start de vormgevingswerken dus pas als je heel zeker bent dat de boom hier sterk genoeg voor is. Elke boom is anders, maar een normale wachttijd is ongeveer twee of drie jaar na het uitgraven. Tot de dag dat we de boom gaan vormen, zullen we hem goed verzorgen met de gepaste watergift, en heel wat zon geven. In al die tijd dat u niet kunt werken aan de boom, is er tijd genoeg om alvast een ontwerp voor de toekomstige bonsai te maken. Vraag ook eens advies hierover aan andere bonsaiïsten, omdat andere mensen soms ook andere ideeën hebben, die je zelf helemaal over het hoofd kan zien.

Het standaard grondmengsel dat voor dennen gebruikt is 60% akadama en 40% vulkanische puim (bv bims of kiryu) van ongeveer 3-5 mm. In principe gaat het ook goed met andere mengsels, maar zorg zeker voor goede drainage. Zelfs 100% akadama is mogelijk (zorg wel dat al deze mengsels goed vrij van stof zijn door ze uit te zeven)! De Schotse den houdt van water net als de meeste andere planten. Met een goede drainage hebt u normaal gezien geen bezwaar tegen overvloedig water geven. Bij goed weer kan men elke dag in de lente en in de zomer, soms wel zelfs twee keer per dag water geven. Uiteraard moet het grondmengsel tussen de gietbeurten eens wat droger kunnen worden, zo niet kan dit op termijn leiden tot wortelrot. Gevorderde liefhebbers laten het grondmengsel tot aan de limiet droger worden, om zo kleinere naalden te verkrijgen. Voor beginners zeker niet aan te raden, omdat er toch enig risico aan verbonden is. Vermijd om water te geven in volle zon. Liefst in de morgen of ’s avonds. Let er op dat je niet te warm water geeft als de tuinslang in de volle zon heeft gelegen. In de herfst en in de winter is de nood voor water veel minder, maar blijf opletten dat de boom niet uitdroogt, zeker bij veel uitdrogende wind gecombineerd met lichte vorst. De soort is op zich zeer winterhard, zelfs in een pot. Doch kan je ze bij ernstige vorst beter beschermen door ze even in de koude serre te plaatsen. Exemplaren die herstellen van een zware ingreep, hou je uiteraard het best volledig vorstvrij.

Met de vaste meststoffen mag je bij de Schotse den best genereus zijn, en het is ook aan te raden om één of twee keer per maand met vloeibare meststoffen het loof te besproeien (bladbemesting). Hou u wel aan de dosering volgens de voorschriften van de fabrikant. Je kan beter nog een paar keren per maand meer bladbemesten, maar dan in een lagere dosis dan voorgeschreven.

Wat vormgeving betreft, is buiten bezemstijl in principe iedere stijl mogelijk. Vooral literati valt in de smaak bij deze soort. Maar met het juiste uitgangsmateriaal zijn ook andere stijlen zeer goed mogelijk. Op het gebied van dood hout is de soort ook zeer interessant. Jin, shari, holle stam, het kan allemaal. Vooral de natuurlijke doodhout partijen op oude yamadori zijn een feest voor het oog, mits ze goed in de opbouw van de boom verwerkt worden.

Verpotten doe je met deze soort niet te vaak. Hoe minder, hoe liever. Slechts als de drainage het laat afweten, of wanneer de wortelvoet zeer duidelijk aan het matten is of omhoog komt, is een verpotting nodig. Denk er ook aan om steeds wat van de witte mycorrhizaschimmels, waar de soort mee in symbiose leeft, mee te ‘enten’ naar de nieuwe pot bij een verpotting.

Controleer de boom het hele jaar door op schimmels en allerlei soorten insecten, en behandel de boom gepast bij een manifestatie. Met het motto “voorkomen is beter dan genezen” kom je heel ver met deze soort. Het is daarom raadzaam om minimum twee keer per jaar een behandeling van fungicide en preventief insecticide toe te passen.

 

© BonsaiCafe

Print Friendly, PDF & Email